Donnerhall



De bijzondere hengst Donnerhall heeft een bronzen
standbeeld gekregen.
Het beeld staat in de binnenstad van Oldenburg.
De beeldhouwer Walter Hilpert uit Dresden vervaardigde
het levensgrote beeld van de Oldenburger hengst,
die één van de belangrijkste dressuurverervers aller tijden is.
Met een gewicht van 700 kilo is het beeld net zo zwaar als
de echte hengst. Donnerhall leefde van 1981 tot 2002,
won in zijn carriere ruim 640.000 DM en
leverde 106 goedgekeurde zonen, waarvan de vader van
Voice, De Niro, er een is.
Hieronder het verhaal van Donnerhall.

Donnerhall



Het verhaal van een legende Donnerhall.
De dressuurvererver met de talloze talentvolle
nakomelingen. De grootheid die niet zo’n grootheid zou
zijn geweest zonder zijn fokker Otto Gärtner, het goede
leven op Stoeterij Grönwohldhof, zijn memorabele
eigenaar Otto Schulte-Frohlinde en niet te vergeten
Karin en Herbert Rehbein, die de hengst onsterfelijk
maakten in de sport.

Tekst: Jan Tönjes.

Sport en fokkerij gaan vandaag de dag hand in hand,
iets wat zonder fenomenen als Donnerhall niet zo zou zijn.
Lange tijd hield niemand het voor mogelijk dat een hengst
in actieve dekdienst ook kampioenschappen kon lopen.
Elke hengst kan natuurlijk showen en in zijn opwinding wat
piafferen, maar een competitie, met getrainde tegenstanders
en kritische juryleden, is een ander verhaal. Karin en Herbert
Rehbein lieten de wereld met Donnerhall zien dat het wel
degelijk kan. En hoe. Donnerhalls goedgekeurde zonen
– kampioenen, verrichtingstoppers en Grand Prix-winnaars –
treden in vaders hoefsporen.

Principes


Vele factoren dragen bij tot succes, maar toeval is
waarschijnlijk de belangrijkste. Dit gaat zeker op voor Donnerhall,
die meer dan eens profiteerde van ‘puur toeval’.
Toen Ninette op 30 mei 1981 een veulen kreeg, was fokker
Otto Gärtner uit Holstein bij haar, zoals altijd als een van
zijn merries moest veulenen. Gärtner was geen grote fokker
met vijf of zes fokmerries. Meestal had hij er twee of drie,
afhankelijk van wat hij van de merrieveulens vond die uit de
fokmerries voortkwamen. In zijn selectie was Gärtner een
man van principes: ‘Het belangrijkste is dat ze zwart zijn.’
Zijn zwak voor zwarte paarden stamde uit zijn jeugd.
De jonge Otto groeide op met het idee dat een paard zwart
moest zijn en voor de koets veel dynamiek moest tonen.
Hij moest werklustig zijn en zijn karakteristieke knieactie
moest toeschouwers fascineren. Geen overdreven knieactie,
maar wel uitgesproken. Het duurde lang voordat Otto Gärtner
zo’n merrie vond: Ninette, een Oldenburger merrie.
Haar vader Markus was een halfbloed van Manolete xx.
Die volbloedachtergrond verried zich in Ninettes grote bruine
ogen, die hun toeschouwer doorgrondden. Alle merrienamen
in haar familie beginnen met een ‘N’. De stamboom van
topvererver Donnerhall gaat terug tot in ieder geval de
negentiende eeuw. In oude hengstenboeken van het Verband
der Züchter des Oldenburger Pferdes staat 1884 als
geboortedatum van Nagate, een dochter van de hengst Naumann.
De Nagate-lijn kenmerkt zich door lange levensduur.
In diezelfde oude boeken worden de ‘N’-merries keer op keer
genoemd, merries die vele veulens kregen, die ook naar
het buitenland verkocht werden.

Ontstemd

Aan het begin van de twintigste eeuw, tijdens de Eerste
Wereldoorlog, was ‘het vaderland dienen’ het devies.
Merries werden gerekruteerd voor het leger.
De N-lijn wist de chaos van deze dwaling te overleven en
verspreidde zich over heel Oldenburg, dat door het samengaan
van het Nord- und Südoldenburger Pferdezuchtverband was
ontstaan. Otto Gärtners Ninette werd geboren bij het
Dümmer-meer, in de buurt van Osnabruck.
Haar zwarte vacht deed hem denken aan zijn jeugd in
Schlesien en hij moest haar kopen. Uit de eerste dekking
werd een zwart paard geboren; één van de eerste zonen van
Furioso II. Daarna kreeg Ninette een zwart merrieveulen.
Wat wil je nog meer? In 1980 stond er op Stoeterij
Grönwohldhof een mooie zwarte hengst, een Hannoveraan,
zwart als de nacht. Gärtner had van de hengst gehoord en
was geïnteresseerd. Toen hij hem zag, wist hij het zeker.
Ninettes nieuwe partner zou de hengst worden met de
krachtige naam Donnerwetter (v. Disput). Otto Schulte-Frohlind
had de hengst op een hengstenveiling in Verden gekocht.
Ninette werd drachtig en op 30 mei 1981 werd het veulen
geboren dat DLG-kampioen, Duits kampioen en
wereldkampioen met het team zou worden.
Maar de fokker was geschokt.
Eerst zag hij een witte neus en toen het veulen eenmaal in
het stro lag, kon hij er niet meer omheen: het was een vos.
Zwart paard hier, zwart paard daar en dan ineens een vos!
Goed, het was een donkere vos, maar Gärtner was ontstemd.
Hij liet Ninette nogmaals dekken en weer werd het een vos.
De fokker besloot van hengst te veranderen.
Wanderfalk was zwart, maar het veulen dat in 1984 werd geboren,
was ook een vos. Het was net zes maanden oud, toen zijn
oudere broer voor het eerst in het nieuws kwam.
Bij de verrichtingstest in Adelheidsdorf was Donnerhall
tweede geworden, met een 9.5 voor rijeigenschappen.

Geen premie

Voordat Donnerhall het tot reservekampioen van het
verrichtingsonderzoek schopte, had hij wat omzwervingen
gemaakt. Gärtner was het opvallende hengstje toegewijd,
maar besloot hem toch te verkopen. Bernhard Huslage uit
Zuid-Oldenburg wilde hem wel kopen. De heren kwamen tot
een verkoopprijs van 5.000 Duitse Marken. Toen Donnerhall
gebrandmerkt moest worden, bibberde hij zo hevig dat de
gekroonde ‘O’ scheef op zijn bil terechtkwam. De afspraak was
dat alle formaliteiten via dr. Ronald Ramsauer, de toenmalige
Fokkerijleider van het Oldenburger Pferdezuchtverband,
zouden lopen. De afhandeling liet echter op zich wachten en
Gärtner concludeerde dat Huslage zich uit de koop had
teruggetrokken. Gelukkig wilde Otto Schulte-Frohlinde de
voskleurige hengst wel kopen. Donnerhall verhuisde naar
Stoeterij Grönwohldhof. Die zomer liepen Otto Gärtner en
Bernhard Huslage elkaar tegen het lijf. De fokker wilde uiteraard
weten waarom Huslage interesse had verloren in de hengst.
Huslage hoorde voor het eerst van de nalatigheid van Ramsauer
en confronteerde de Fokkerijleider ermee. Toch is Huslage in
zijn lezing positief over Donnerhalls vertrek naar
Stoeterij Grönwohldhof. ‘Als ik hem had gehad, had Donnerhall
het niet zo ver gebracht.’ Donnerhall viel iedereen op,
maar de hengstenkeuringscommissie van 1983 wist hem
nog niet op waarde te schatten. Hij werd ‘goedgekeurd’,
niet meer en niet minder. De premies gingen naar andere
hengsten, maar dé jonge goedgekeurde hengsten van toen,
Weltraum en Fernblick, zullen de meeste mensen nu
weinig zeggen. Zij waren echter volwassen en correct gebouwd,
terwijl Donnerhall nog wat jong aan deed. Zijn hals had zich
nog niet zo ontwikkeld en exterieurkenners waren kritisch
over zijn bovenlijn. Maar ach, welk genie wordt nu meteen herkend?
In 1984 was de donkere vos één van de beste hengsten van
zijn jaargang in de verrichtingstest in Adelheidsdorf.
Even was het nog spannend. Met de dressuur zat het goed,
maar hoe zou Donnerhall het er van af brengen over de balken?
Donnerhall liet alles liggen en werd reservekampioen
van het verrichtingsonderzoek.

Persoonlijkheid

Donnerhalls uitstraling werd volwassener en hij kreeg een
steeds mooier model. Hij kwam in training bij Karin en
Herbert Rehbein, van wie hij de koosnaam ‘Donni’ kreeg.
De donkere vos ontwikkelde zich tot de stalfavoriet.
Donnerhall was een persoonlijkheid; werkwillig en leergierig.
Ook op fokkerijgebied ontwikkelde hij zich goed.
1986 Was wat dat betreft een mijlpaal. Niet alleen in Donnerhalls
carrière, maar ook in de kronieken van het Oldenburger
Pferdezuchtverband. Op de DLG in Hannover wedijveren de
hengsten van Staatsstoeterij Celle (Hannover) en Warendorf
(Westfalen) met elkaar. Vertegenwoordigers van andere
fokkerijgebieden spelen meestal een bijrol. Zo leek het ook
te gaan in 1986, toen Hannover zijn boegbeeld World Cup I
stuurde in de hoop dat de vos de felbegeerde trofee in de
wacht zou slepen. Maar daar was Donnerhall.
Voorbrenger Ingo Pape maakte heel wat meters met de
vijfjarige hengst, want het publiek smulde.
‘De mensen wilden hem gewoon’, aldus jurylid Bernhard Huslage,
een oude bekende. Zijn collega-jurylid Folkers voegde eraan toe:
‘Er steeg een enorm gejuich op van de tribunes iedere keer
als Donnerhall de hal binnenkwam.’ Het duurde niet lang
voordat het enthousiasme van het publiek oversloeg naar
de juryleden. De Oldenburger werd gekroond.
Onbeschrijflijk gejuich in de hal. Ingo en Donnerhall
haalden eens diep adem en zetten nogmaals hun beste
beentje voor. Karin Rehbein, die Donnerhall later onder
het zadel presenteerde: ‘Hij was echt een showbink.
Dol op publiek. Als de mensen meededen,
ging hij er echt voor.’ Toen al, als vijfjarige, had Donnerhall
stalen zenuwen. Shows met andere paarden, muziek,
lichten, fakkels, koetsen; Donnerhall bleef rustig.
Als het Karin Rehbein nog niet duidelijk was, was het dat toen:
Donnerhall was een uitzonderlijk paard.
En een snelle leerling. De vliegende galopwissels waren
geen probleem, ook niet voor zijn nakomelingen trouwens.
Na twee jaar training beheerste Donnerhall de
Grand Prix-oefeningen. Voordat Karin en Herbert Rehnein
hem echter inzetten op het hoogste niveau, lieten ze hem
ervaring opdoen in de Intermédiaire I en de Prix St. Georges.
Op zijn eerste wedstrijd hinnikte hij van het groeten bij
binnenkomst tot het einde van de proef, maar de tweede keer
ging het al veel beter. Op X kondigde hij zichzelf nog
even brutaal aan, maar daarna concentreerde hij zich op
zijn taak. Niet lang daarna startte Donnerhall Grand Prix,
met als hoogtepunten zijn uitgestrekte draf, galop, passage en piaffe.

Nakomelingen

Nu ook verschenen de eerste nakomelingen van Donnerhall
onder het zadel. In eerste instantie vonden maar weinig
merries hun weg naar Donnerhall. Veel fokkers vonden
Stoeterij Grönwohldhof wat ver verwijderd van de kern van
het Oldenburger fokkerijgebied, tussen de rivieren de Weser
en de Ems. Toch werd een hengst uit die eerste jaargang
goedgekeurd: Don Primero, gefokt op Stoeterij Grönwohldhof.
Als vijfjarige werd hij in Verden met een 9.3 Bundeschampion
van de vijfjarige dressuurpaarden. Don Primero bracht het ook
tot Grand Prix-niveau. Net als van zijn vader werden van de
hengst op de Vechta-veiling nakomelingen verkocht voor
bedragen met zes cijfers. Als negenjarige sloot Donnerhall
zijn dressuurseizoen af met 33 overwinningen op
Grand Prix-niveau. Ook als vaderdier begon Donnerhall zich
meer en meer te onderscheiden. Rheinland profiteerde als
één van de eerste fokkerijgebieden buiten Oldenburg van de
verervingskracht van Donnerhall dankzij Donnerschlag,
door Günther Pape te Hemmoor gefokt uit Pirola,
een zuster van Pik Bube. Donnerschlag en zijn zoon
Dream of Heidelberg waren jarenlang de populairste
hengsten van West-Duitsland. Ook het naburige Nederland
ontdekte het Donnerhall-bloed. In 1992 begon het pas goed.
Donnerschwee, gefokt door dr. Jobst Hartmann te Itzehoe
uit Weltwunder (v. Freiherr), in 1986 de beste merrie van de
Bundesstutenschau, werd op de Lenteveiling verkocht voor
220.000 Duitse Marken, het hoogste bedrag ooit betaald
op een Duitse fokkerijveiling. In 1993 was Donnerschwee
de beste gekeurde dressuurhengst op het Bundeschampionat.
Hij won daarna vele wedstrijden en bereikte ook Grand Prix-niveau.

Veilingrecords

Het Bundeschampionat van 1992 in Verden ging de
geschiedenis in als het ‘Donnerhall-festival’. Primavera
(mv. Pik König) werd derde bij de driejarigen. Ze won het
Rijpaardenkampioenschap en werd ook nog uitgeroepen
tot beste Oldenburger merrie. Bij de vierjarigen won de
Hannoveraan Davignon, tweede werd de Oldenburger
merrie Deutsche Einheit. De reservekampioen werd in
Vechta afgeslagen op 420.000 Duitse Marken, betaald door
de Nederlander Adrie Gordijn. Een absolute sensatie;
iedereen dacht dat het nog lang zou duren voordat dit
bedrag geëvenaard zou worden. Toen de Hannoveranen in
Verden het bedrag in 1996 uiteindelijk overtroffen (450.000 DM),
was de vader van het paard wederom Donnerhall.
Zo had Donnerhall, de Oldenburger die was goedgekeurd voor
de Hannoveraanse merries, ook succes bij de buren.
In 1993 leverde Donnerhall opnieuw de kampioensmerrie
van Oldenburg: Hallo, ook uit een Pik Bube-moeder.
De ‘Grönwohldhof-combinatie’, Donnerhall x Pik Bube,
bleek bijzonder succesvol te zijn.
Verschillende Duitse fokkerijgebieden maakten er gebruik van.
Hallo was één van de eerste paarden die verervingskracht
van Donnerhall duidelijk maakte. Ze werd als jong paard
getraind op Stoeterij Grönwohldhof en kwalificeerde zich
voor het Bundeschampionat voor dressuurpaarden in
München en Verden. In Verden behaalde ze met haar
eigenaar Julia Westphal een vierde plaats.
Hallo’s volle zuster High Noon bracht het ondertussen tot
de Grand Prix. Met Herbert Boger behaalde de merrie in
1998 diverse internationale klasseringen. Donnerhall is
één van de hengsten die op de Eliteveiling in Vechta
vertegenwoordigd worden door een eigen nakomelingengroep.
De combinatie met Weltwunder (v. Freiherr) was bijzonder
succesvol. Behalve de genoemde Donnerschwee kwamen
Deutscher Orden, Dr. Lobo, DJ Lobo en de Davignon-zoon
Dayton onder Uwe Heckmanns veilinghamer, met een
totaalopbrengst van meer dan een half miljoen Duitse Marken.

Brons

De Rehbeins zijn bescheiden mensen, een prettige
uitzondering in een wereld waarin publieke akkefietjes over
wie-met-wie-op-wiens-paard steeds vaker voorkomen.
Ze bereiden hun paarden gewoon goed voor op wedstrijden.
Bij iedereen in de gunst willen komen is niet zo hun stijl.
Alleen het optreden ín de dressuurring telt. Insiders denken
dat dit er misschien de oorzaak van is dat Donnerhall altijd
gepasseerd werd voor het nationale team en in eerste
instantie nooit op een internationaal kampioenschap
terechtkwam. Donnerhalls kans kwam in 1994.
Het lag niet in de bedoeling dat hij op de Wereldruiterspelen
in Den Haag de Duitse kleuren zou verdedigen, maar de
dingen liepen anders. Het team is al aan het trainen voor
Den Haag als Donnerhall vertrekt naar Mannheim voor de
Duitse kampioenschappen. De heetste kampioenschappen ooit;
40 graden Celsius in de schaduw. De paarden laten in de
stallen hun oren hangen en laven zich aan de koele
lucht uit de ventilators. Bij afwezigheid van Isabell Werth,
Nicole Uphoff en Monica Theodorescu wordt Donnerhall
nationaal kampioen. Dan komt het nieuws uit het
trainingskamp: Grunox van Monica Theodorescu is niet fit.
Donnerhall reist af naar Den Haag. Onder Karin Rehbein
laat hij zich op het WK in de Kür aanmoedigen door
‘A Chorus Line’. Het is alsof hij weet dat hij het aan zijn
fans verplicht is. Als Karin na de proef heeft gegroet,
stijgt er in het Zuiderpark Stadion een oorverdovend
applaus op. Herbert Rehbein, toch wel wat gewend,
pinkt onopvallend een traan weg. De bronzen medaille
is de kroon op Donnerhalls beste sportjaar.
Volgens Karin was de overwinning in de Kür geen toeval:
‘Als hij muziek hoorde, gaf hij zich helemaal.
Hij vond het geweldig als het publiek enthousiast was.’
Het publiek was Donnerhall inderdaad goed gestemd.
Natuurlijk had hij ook zijn mindere punten, maar
je hebt uitstraling of niet. En Donnerhall had die.

Sensatie

Het is 1995. Tijdens de Eliteveiling in Vechta danst een
hengst met catalogusnummer 17 de hal binnen.
Onmiskenbaar een Donnerhall, van top tot teen. De moeder
is van niemand minder dan Pik Bube. Uwe Heckmann noemt
hem Donovan Bailey. Niet slecht gekozen, want Donovan Bailey
had net de wereldtitel atletiek veroverd. In de biedingstrijd bleef
wederom de hand van Adrie Gordijn het langst in de lucht.
De hamer viel op 130.000 Duitse Marken. In 1998 nam de vos
deel aan het Bundeschampionat en werd hij verkocht via de
PSI-veiling van Paul Schockemöhle en Ulrich Kasselmann.
1995 Is ook het enige jaar waarin Donnerhall niet steeds
honderd procent fit was. In Hollywood nam hij met Karin Rehbein
deel aan de finale van de wereldbeker dressuur. Hoewel er in de
Grand Prix nogal wat fouten sluipen, weet de combinatie
uiteindelijk als vijfde te eindigen. Het volgende doel dat
seizoen is het EK in Luxemburg, maar een ongelukje gooit
roet in het eten. In 1997 verschijnt Donnerhall als winnaar van
de West-Europese league aan de start van de
wereldbekerfinale in ’s-Hertogenbosch. Deze keer wordt hij vierde.
Het is het laatste succes waar Herbert Rehbein getuige van is,
want in de zomer van 1997 overlijdt hij aan kanker.
Karin en Herbert brachten vele internationaal succesvolle
paarden voort en Donnerhall is hun meesterwerk.
Hun huwelijk had om paarden gedraaid en Karin voelde zich
niet in staat tot rijden. Uiteindelijk besloot ze toch op een
EK-kwalificatiewedstrijd te starten. Karin Rehbein zei
naderhand dat ‘Herbert het zo gewild zou hebben’.
Een tweede plek op het Duits kampioenschap leverde de
combinatie een uitzending naar het EK dressuur in Verden op.
Het Duitse dressuurteam won goud. In een sterk veld met
Louise Natthorst, Anky van Grunsven en Isabell Werth
wonnen Karin Rehbein en Donnerhall de individuele
bronzen medaille. In Rome, op de Wereldruiterspelen van 1998,
winnen Karin Rehbein en Donnerhall goud met het team,
maar individueel grijpen ze net naast een medaille.
Het was in Rome dat Karin Rehbein besloot Donnerhall,
toen zeventien jaar oud, terug te trekken uit de wedstrijdsport.
Het was altijd haar wens geweest dat te doen als de hengst
nog fit was. ‘Rome’ was Donnerhalls laatste optreden als sportpaard.

Afscheid

Donnerhall had dan wel afscheid genomen van de sport,
zijn fokkerijcarrière was nog niet ten einde. In de zomer van
1998 gebeurt er op de Vechta-veiling iets ongelooflijks:
een bod op een veulen passeert 130.000 DM. Veilingmeester:
Uwe Heckmann, bieder: wederom Adrie Gordijn. De voshengst
Deinhard, uit een Lemon Tree-moeder, wordt uiteindelijk verkocht
voor 155.000 DM. Een sensatie, want voor het eerst in de
geschiedenis wordt voor een veulen meer betaald dan voor het
duurste rijpaard. Dat is de ruin Duisenberg (v. Davignon-Donnerhall),
die op 150.000 DM wordt afgeslagen. Tijdens de Oldenburger
Hengstendagen in datzelfde jaar vieren duizenden
enthousiastellingen Donnerhalls afscheid van de sport.
Kampioenszonen Davignon, Del Piero, De Niro, Duntroon en
de Grand Prix-paarden Don Gregory en Don Primero luisteren
het afscheid van hun vader op. De Weser Ems Hall in Oldenburg
staat op zijn kop als Donnerhall als een koning binnendraaft.
Als ‘grapje’ laten Karin en haar hengst niet tien, niet twintig,
maar tegen de vijftig changementen zien. En piaffe, passage¼
wat een energie! Dan stelt Donnerhall zich in een sereen
moment op in het midden van de hal. Naast hem zijn fokker
Otto Gärtner, Peter Wandschneider, de bedrijfsleider van
Stoeterij Grönwohldhof en Paul, zijn verzorger.
Bij de titel Oldenburger Dressuurhengst van het Jaar
– voor de tweede keer – hoort een grote kruiwagen wortels.
Dan stellen Donnerhalls zonen zich op in een halve cirkel
en gaan de lichten uit. Tachtig kinderen met een lantaarn met
het Oldenburger logo betreden de hal.
Een fokkerijgebied bedankt Donnerhall. Als de muziek speelt,
staan alle aanwezigen, Donnerhall als een monument tussen
hen in. Dan vormen de kinderen een smal pad en maken
Donnerhall en Karin Rehbein hun laatste ereronde.
De hengst danst en straalt; het publiek is betoverd.
Een legende heeft afscheid genomen.
Op 14 januari 2002 wordt de fokkerijwereld opgeschrikt door
een schokkend bericht:
de legendarische hengst Donnerhall is overleden aan een
acute darmvergiftiging. Hij is dan 21 jaar oud.

Grootheid

Donnerhall is er met 106 goedgekeurde hengsten absoluut
in geslaagd zijn eigen hengstenlijn op te bouwen.
Hij is een buitengewoon vaderdier, dat zelfs Holsteiner merries
mocht dekken, hoewel fokkers uit Holstein doorgaans
sceptisch zijn over hengsten uit andere stamboeken.
Donnerhall was goedgekeurd in Duitsland, Nederland,
België, Denemarken, Frankrijk en de Verenigde Staten.
Donnerhall-nakomelingen zijn te vinden over heel de wereld.
Stuk voor stuk hebben zij veel kwaliteit.
Zijn zoon Don Schufro, ook uit een Pik Bube-moeder,
voerde in 2004 wederom de Duitse dressuurindex aan.
Donnerhalls nafok kenmerkt zich door Rittigkeit en intellect,
in essentie waarschijnlijk de belangrijkste eigenschappen
van de warmbloedfokkerij. Donnerhall was een grootheid.
En in welke richting de rijpaardenfokkerij zich ook ontwikkelt,
een hengst als Donnerhall zal ze altijd nodig hebben.

De Hoefslag nummer 10, 2005.